Algemeen

Heemkunde Manderveen presenteert:
‘ ’t Langeveen op Drieschichtige grond’

LANGEVEEN - De presentatie op donderdag 25 november a.s. geeft antwoord op enkele interessante historische vraagstukken. De namen van mensen in Langeveen en De Striepe die kerkten in de parochie Geesteren, voordat Langeveen een zelfstandige parochie was, maakten ons nieuwsgierig naar dit verleden en de tijd daarvoor. Wie waren ze en waar in Langeveen woonden deze families? Vanwaar waren ze gekomen om hier een bestaan op te bouwen? En hoe zag onze woonomgeving eruit vóór de verdeling van de gemeenschappelijke markegronden? En hoe zat dat met die gemeenschappelijke Drieschichtige grond, toen onze plaatsnaam nog verscholen lag in het Noordelijk Drieschicht?

Deze vragen leidden naar de geschiedenis van De Drieschichtige Marke. De verschillende delen van het Drieschichtig markeboek en de verslagen van de markevergaderingen gaven antwoord op tal van onze vragen. Vooral onze transcriptie en hertaling uit delen van deze geschriften gaven ons een goed beeld van de geschiedenis van dit bijzonder Markegenootschap.

Het beheer en gebruik van de gemeenschappelijke grond van de Drieschichtige Marke en de overgang van dit bezit naar eigendom van velen, had onze bijzondere belangstelling. Het eerste deel van het boek neemt ons mee naar de geschiedenis van de Drieschichtige Marke: Mander, Geesteren en Vasse. De rol die deze Marke en elke afzonderlijke marke en haar bewoners van de gewaarde boerderijen vervulden bij het beheer van de gemeenschappelijke Drieschichtige grond. In het eerste geschreven verslag van de Drieschichtige markevergadering uit 1498 te Mander, komen we namen tegen van de oude adel en geestelijkheid. Ze waren in bezit van de meeste gewaarde boerderijen in de Drieschichtige Marke, waarop pachters woonden en werkten.  Deze pachters, ook Boermannen genoemd, waren zogenaamde onvrije Bueren. Ze waren huur verschuldigd aan hun Goedsheer, de eigenaar van de gewaarde boerderij. Een overeenkomst uit die tijd tussen de horige bewoner van de gewaarde boerderij Northende of Denink in Mander en het klooster in Albergen is bewaard gebleven en beschreven in het boek: Huis en Klooster St. Antonius te Albergen.

Van het klooster te Albergen betreffende het erve Northende te Manre van 1489. In dat jaar verpachtten Gerard van Ubach, prior en het convent van Albergen het erf Northende in Manre aan Lambert, zoon van Herman Northende,en echtgenote voor hun leven, doch niet langer, tegen de derde garve op het land met last van binnenhalen, dorsen en zaad leveren op het klooster te Albergen of binnen Almelo, voorts de smalle tienden, een paar wagendiensten per jaar binnenslands met 5 paarden, verplichting van keurmedigheid, zowel voor henzelf als voor hun kinderen, een van hun kinderen kan worden vrijgekocht voor een gouden rijnse gulden; verder 18 gouden

rijnse guldens tot huiswinning, onderhoud van alle gebouwen, van de sloten en vruchtbomen; zonder toestemming is het verboden eikenhout op het erf te kappen; een aantal wilgen poten op de daarvoor bestemde gronden, betaling van de schatting, kerkerecht en andere gewoonten naar 's lands wijze. Ze verliezen het pachtrecht, wanneer zij zich, na eventuele waarschuwing, niet aan de pachtvoorwaarden houden.

Verder had de eigenaar van een gewaarde boerderij stemrecht tijdens de markevergadering en genoot een gezamenlijk gebruikersrecht op de gemeenschappelijke grond. Dit recht was aan de gewaarde boerderij gebonden. De Drieschichtige Marke telde 52 gewaarde boerderijen die aangespoord door de adel en geestelijkheid, de gemene veen- bos- heide- en veldgrond ten noordwesten van de drie marken Mander, Geesteren en Vasse bewerkten en beheerden. Dit was de onbewoonde grond van het latere Langeveen, Manderveen en het buitengebied van Geesteren. Turfwinning behoorde in die tijd tot een van de eerste levensbehoeften van de Marke bewoners. Het uitgestrekte hoogveengebied rondom de Bavesbeek zorgde jaren voor de nodige twisten, maar was later een extra bron van inkomsten voor de groeiende bevolking.

Turfafvoer langs de zoom van het Drieschigtsche Veen

De turf uit het Drieschigtsche Veen vond zijn bestemming over weg en water. Beide afvoermogelijkheden hadden zo hun eigen ongemakken. De gedroogde turf uit het Drieschigtsche Veen ging over water naar de haven van Almelo en het Twentse Steden wanneer de valschutten(VS), of zielen in de Schipsloot omhooggingen. Vanwege het hoogteverschil tussen Langeveen en Vriezenveen hielden deze valschutten het water in de Schipsloot, de vroegere Bavesbeek, op een bevaarbaar niveau. Maar het meningsverschil over tolheffing voor de ziel in Vriezenveen belemmerde regelmatig de doorvaart voor de Geesterse turfschippers, waardoor later turfvervoer over de weg steeds meer terrein won. Verder was de Drieschichtige grond rijk aan hout en was de veldgrond geschikt voor weidegebied en boekweitverbouw.

Het was de primitieve ontwatering van de veengebieden en in het bijzonder de betere afwatering van de afgegraven veengronden met  kansen in de landbouw voor de nieuwe bewoners op de verdeelde gemeenschappelijke gronden.

Bijzonderheden hierover komen verderop in de volgende delen van dit boek uitvoerig aan de orde.

Het laatste deel neemt ons mee van dit verre verleden naar de bewoners van het nabije heden.

De presentatie is donderdag 25 november a.s. om 20.00 uur in zaal Waaijer.


Uw reactie