Op zaterdag 29 november jl. vond de presentatie plaats van het boek 500 jaar Watermolen Herinckhave. De publicatie is geschreven door Bernadette Koopmans en Bernard Wielinga, beiden actief als watermolenaar. Koopmans is molenaar bij Herinckhave en vervulde tot halverwege 2024 tevens de rol van vrijwillig coördinator. Wielinga bekleedt deze functies bij de watermolens Frans en Bels in Mander. Hun gezamenlijke werk is het resultaat van jarenlange praktijkervaring, diepgaande vakkennis en een gedeelde historische interesse. Dit maakt het boek niet alleen informatief, maar ook bijzonder levendig en aansprekend.
Wind en water
De watermolen van Herinckhave kent een lange en soms roerige geschiedenis. De oudste bekende vermelding dateert uit 1521, wanneer de molen voorkomt in de kroniek van Johannes van Lochem. Daarin wordt beschreven dat aan de molen van het huis Grubben heffingen werden opgelegd in verband met de Gelderse Oorlog. Hiermee is Herinckhave één van de oudste gedocumenteerde watermolens in Twente.
In 1642 werd de molen zwaar getroffen door brand. In eigentijdse bronnen wordt gesproken over “die waetermoele soe koorn als oly mole van Jan Grubbe toe Vleringe bij sijde sijn huis”, die volledig afbrandde. Een jaar later verzocht Goossen Grubbe aan Ridderschap en Steden van Overijssel om in plaats van de afgebrande watermolen een windmolen te mogen bouwen. Dit verzoek werd echter niet ingewilligd en de watermolen werd alsnog herbouwd.
Koren- en oliemolen
Tot ongeveer 1740 waren zowel de korenmolen als de oliemolen in bedrijf. Daarna kwam er een einde aan de olieslagerij. In een testament uit 1760 wordt melding gemaakt van “een klein watermooltjen en een oude olymool, die in twintig jaar niet gebruikt is”. De watermolen bleef bestaan, maar de opbrengsten waren wisselend.
De eerdergenoemde aanvraag uit 1643 om een windmolen te bouwen, wijst al op een onzekerheid die de watermolen altijd heeft gekend: de onbetrouwbare watertoevoer. Die problematiek werd rond 1775 opnieuw zichtbaar toen inwoners van Tubbergen een windmolen wilden oprichten. Zowel de heer van Almelo als de eigenaar van Herinckhave verzetten zich hiertegen, uit vrees voor verlies van klandizie. Over de watermolen van Herinckhave werd daarbij opgemerkt dat het “voornoemde moolentje ’t grootste gedeelte van ’t jaar sonder water” was. Het gebeurde volgens getuigen dan ook “alte dikwijls dat men, niettegenstaande men dan maalen kan, twee à drie malen moet gaan, voor en aleer men geholpen kan worden”.
Strijd tegen het watergebrek
Om de watertoevoer te verbeteren, werden verschillende maatregelen getroffen. Op ongeveer 700 meter ten noordwesten van Herinckhave werd een rond heideperceel met een aarden wal aangelegd waarin water werd opgevangen. Dit gebied stond bekend als de Olde Maats. Daarnaast was er de Grote Maat, een vloeiweide van circa vijf hectare die ’s winters tot in april twee tot vier voet onder water stond. Deze voorzieningen moesten ervoor zorgen dat de molen langer in bedrijf kon blijven.
Toch bleef de watermolen kwetsbaar. In 1848 vermelden Staring en Stieltjes in De Overijsselse Wateren dat de molen slechts een deel van het jaar werkzaam was. Hij beschikte toen over een onderslagrad met een middellijn van 4,5 el en een schoepbreedte van 90 duim. In de loop van de 19e eeuw raakte de molen steeds verder in onbruik. De herindeling van de marken leidde tot een verminderde watertoevoer en de nabijgelegen bouw van een windmolen maakte de concurrentie groter.
Van verval naar herstel
Na zijn economische functie te hebben verloren, kreeg het watermolengebouw uiteenlopende bestemmingen. Het diende achtereenvolgens als schuur, varkenshok en vanaf circa 1960 zelfs als jachthut. Pas in 1988 kwam daar verandering in, toen de molen volledig werd gerestaureerd en opnieuw in bedrijf werd gesteld. Bij deze restauratie werden de maalstoel en molenstenen gebruikt van een inmiddels buiten bedrijf gestelde windkorenmolen.
Vandaag de dag wordt de watermolen van Herinckhave periodiek in werking gezet door vrijwilligers van de Stichting Overijsselse Molens. Daarmee is de molen niet alleen een tastbaar monument van vijf eeuwen Twentse geschiedenis, maar ook een levend erfgoed, waarin wind, water en vakmanschap nog altijd samenkomen.
Martin Paus