Donderdag 26 januari jl. werd het boek 'De sekte met de duivelsoren' gepresenteerd, het resultaat van onderzoek door Maarten Schoon van De Twentsche Courant Tubantia en Jan Colijn van RTV Oost. Hoewel de presentatie niet groots of inhoudelijk diepgravend was opgezet, viel vooral de aanwezigheid van mediacollega’s van de auteurs op.
Het boek brengt feiten en getuigenissen naar buiten over de Twentse groepering van Bidtrees. Zij stelt via een rozenkrans in contact te staan met de geest van de overleden Italiaanse heilige Pater Pio.
Uit het onderzoek van de verslaggevers blijkt dat er in de afgelopen jaren tientallen signalen van misstanden zijn geweest, zonder dat dit tot ingrijpen leidde. Zelfs oud-minister Frits Korthals Altes heeft tevergeefs geprobeerd zijn stiefdochter aan de invloed van deze organisatie te onttrekken. Dat gegeven alleen al onderstreept hoezeer deze kwestie doorwerkte tot in bestuurlijke én persoonlijke kringen.
Zelf volg ik de ontwikkelingen rond Bidtrees al vanaf de beginjaren. In de afgelopen decennia heb ik artikelen uit uiteenlopende media verzameld en laten inbinden tot een knipselmap - circa tien exemplaren - onder de titel 'Niet te geloven!'. Veel van deze artikelen zijn inmiddels online niet meer toegankelijk. Tijdens een uitzending van Nieuwsuur van 12 juli 2025, waarin ook burgemeester Anko Postma sprak over misstanden rond sektes en de Tubbergse Pater Piostichting, verscheen mijn knipselmap kort in beeld. De auteurs hebben daar dankbaar gebruik van gemaakt. Recent liet Maarten Schoon mij weten: “Nogmaals, wij zijn u zeer erkentelijk voor de knipselmap.”
En onlangs nam Jan Colijn telefonisch contact met mij op om mij uit te nodigen voor de boekpresentatie en om eens een afspraak te maken. Eerder had ik Maarten Schoon al per mail laten weten dat ik de ondertitel van het boek 'Achter de schermen bij een Nederlandse geloofsgemeenschap' niet alleen ongelukkig, maar ook inhoudelijk misleidend acht. Ik schreef hem:
“Aanvullend merk ik op dat de ondertitel van het boek 'Achter de schermen bij een Nederlandse geloofsgemeenschap' naar mijn overtuiging geen recht doet aan de feitelijke constellatie. De gekozen formulering wekt de indruk dat het hier in essentie zou gaan om een religieuze gemeenschap met een interne geloofsbeleving en organisatie. Naar mijn oordeel, en op basis van concrete en verifieerbare gegevens waarover ik beschik, is daarvan echter geen sprake. Integendeel: het betreft een structuur waarin stelselmatige misleiding, oplichting en het doelbewust inzetten van religieuze symboliek ter legitimering van mogelijk strafbaar handelen centraal staan. Dat is kwalitatief en juridisch van een geheel andere orde dan wat onder een ‘geloofsgemeenschap’ pleegt te worden verstaan.”
Door te kiezen voor “geloofsgemeenschap” als ondertitel bij een onderzoek naar machtsmisbruik en misleiding, verhullen de auteurs wat juist zichtbaar zou moeten worden. Het gaat hier om misbruik van vertrouwen en om het manipulatief inzetten van religieuze retoriek. Dáárin schuilt het probleem: journalistiek behoort te verhelderen, niet te verzachten. Wanneer een organisatie – waarbij sprake is van misleiding en mogelijke strafbare feiten – wordt aangeduid als “geloofsgemeenschap”, kan dat de ernst semantisch afzwakken. Taal bepaalt immers het beoordelingskader van het publiek. Precisie is hier geen stilistische kwestie, maar een journalistieke verantwoordelijkheid.
Martin Paus